Thuis » Oriëntatie

Oriëntatie

Inleiding

In deze Oriëntatie wordt in kort bestek uiteengezet wat gewoonlijk wordt verstaan onder de begrippen ‘gereformeerd Piëtisme’ en ‘Nadere Reformatie’. Als uitgangspunt is hiervoor genomen de begripsbepaling die in 1995 na een brede discussie door de Stichting Studie der Nadere Reformatie (SSNR) werd gepubliceerd. Hier wordt volstaan met een beknopte samenvatting van de betekenis en de kenmerken van beide historische fenomenen alsmede van hun onderlinge samenhang. Voor een verdere uitwerking wordt verwezen naar de genoemde begripsbepaling. Zie ook de literatuuropgave aan het einde van deze Oriëntatie. Algemeen wordt aangenomen dat de Nadere Reformatie ressorteerde onder het Nederlandse gereformeerde Piëtisme en dat dit laatste een nationaal en confessioneel bepaald onderdeel was van een bredere kerkhistorische stroming die het Piëtisme wordt genoemd. Daarom richten we de aandacht eerst op het Piëtisme in het algemeen.

Het Piëtisme in het algemeen

In het Piëtisme ging het in beginsel, zoals de term zelf reeds aangeeft, om de pietas, de ware doorleefde vroomheid of godzaligheid: het ‘leven voor Gods aangezicht’. In deze formulering lijkt er geen onderscheid te bestaan tussen het Piëtisme en een levend christendom in het algemeen. Toch is dat er wel, want bij het Piëtisme is juist kenmerkend dat er onvrede is over een te gemakkelijk geaccepteerde scheiding tussen leer en leven en dat die onvrede wordt gevolgd door een serieus streven om zelf woord en daad in overeenstemming met Gods geboden te brengen. In de geschiedenis van het christendom komt die drang om innerlijke en uiterlijke vroomheid nauw te verbinden in de loop van de tijd in allerlei verschijningsvormen voor. Hierbij valt te denken aan de vroomheid van de kerkvaders, de mystiek van middeleeuwers als Bernhardus van Clairvaux, de Moderne Devotie met een Thomas a Kempis en ook aan vormen van rooms-katholieke spiritualiteit. Er kan daarom gesproken worden van een christelijke vroomheidstraditie die de grenzen van eeuwen, landen en confessies overschrijdt. Nu wordt dit hier niet allemaal gevangen onder hetzelfde begrip. Met Piëtisme wordt uitsluitend bedoeld een deelstroming van die christelijke vroomheidstraditie die aan het einde van de zestiende eeuw ontstond en als historisch verschijnsel in ieder geval tot en met de achttiende eeuw is aan te wijzen. Het slaat dan op de bevindelijke en praktikale vroomheidsbeweging die zich binnen en vanuit het Protestantisme openbaarde en in het verlengde van de Reformatie stond. De hervorming van de leer diende gevolgd te worden door een hervorming van het gehele leven. Uiteraard had de Reformatie dit ook op het oog, maar het hoofdaccent hiervan lag bij de geloofsleer, de strijd met het Rooms-katholicisme en de opbouw van een kerkelijk leven. Het doel van het Piëtisme was dus primair de ‘praktijk van de godzaligheid’ en wel in overeenstemming met de leer van de Hervorming. De noodzaak hiervan werd reeds in de laatste decennia van de zestiende eeuw in vele landen duidelijk gevoeld. Bij de tweede en derde na-reformatorische generatie was sprake van een crisis in de (persoonlijke) vroomheid. De diepe religieuze ervaringen van de reformatoren waren niet meer het zelfverworven bezit van deze generaties en dat leidde tot onzekerheid en allerlei misdragingen die op gespannen voet stonden met de reformatorische leer. Dit probleem kwam sterker naar voren op plaatsen waar de reformatorische geloofsopvattingen niet alleen persoonlijk maar ook cultureel en maatschappelijk onvoldoende hadden doorgewerkt of weer waren verslapt.

Binnen het overkoepelende begrip Piëtisme was sprake van diverse confessionele, nationale en kerkelijke varianten. Internationaal gezien waren het gereformeerde en het lutherse Piëtisme de hoofdstromen, maar er kan ook gesproken worden van een doopsgezind en een remonstrants Piëtisme. In Nederland was het gereformeerd Piëtisme overheersend. In Engeland en Schotland was het piëtistisch Puritanisme, binnen èn buiten de Anglicaanse kerk, dominant en in Duitsland het luthers Piëtisme. Het gereformeerd Piëtisme heeft zich het eerst gemanifesteerd binnen het Engelse Puritanisme. Hiervoor is een voor de hand liggende verklaring, omdat het Reformatieproces zich hier eerder voltrok dan in andere landen waar de gereformeerde religie ingang vond. En aangezien de Hervorming in Engeland tussen het Rooms-katholicisme en het Calvinisme bleef steken, kwam hier ook eerder dan elders een kritische reactie op gang tegen ervaren misstanden. Van meet af aan concentreerde die kritiek zich niet alleen op de roomse overblijfselen in de liturgie en de ambtelijke structuur, maar ook op de praktijk van de vroomheid. De belangrijkste middelen die de puriteinen gebruikten waren de prediking en de uitgave van stichtelijke geschriften. Met hun vele publicaties hebben ze zowel in eigen land als daarbuiten een grote invloed uitgeoefend.

Tussen de diverse piëtistische tradities in verschillende landen was sprake van onderlinge relaties en beïnvloeding. Een belangrijk middel daarvoor waren de vele wederzijdse vertalingen. Zo was er een geweldige vloed aan Nederlandse vertalingen van puriteinse stichtelijke werken, die ten dele vanuit het Nederlands weer aan het Duitse taalgebied werden doorgegeven. Omgekeerd werden ook Nederlandse piëtistische geschriften in het Engels en het Duits vertaald; zoals er ook vanuit het Duits in het Nederlands werden overgezet. Vanuit het Frans zijn eveneens vele vroomheidswerken in het Engels, Nederlands en Duits vertaald. Maar er was meer. Niet minder belangrijk waren allerlei persoonlijke relaties die bijdroegen aan de uitwisseling van piëtistische uitingen tussen landen en culturen. Hierbij moeten we denken aan contacten tussen geleerden en studenten, diplomaten, militairen en kooplieden. Bij de internationale piëtistische beïnvloeding speelden ook de vluchtelingengemeenten een belangrijke rol. Samenvattend is het Piëtisme in zijn verschillende vormen een historische interconfessionele, internationale en interseculiere beweging met een reactionair karakter. Het accentueerde de praktijk van de vroomheid nadrukkelijker dan zijn voorgangers en tijdgenoten.  

Het Piëtisme in Nederland

Het gereformeerd Piëtisme in Nederland kent een tweevoudige reactie op de Reformatie. Enerzijds is die positief, maar er is ook een kritische zijde die gericht is op een verdere doorwerking en verdieping van de Reformatie. Theologisch gezien leidde dit streven tot een accentverschuiving van de rechtvaardiging door het geloof alleen, naar de daaraan verbonden heiliging van de gelovige mens, met de uitstraling daarvan naar alle verbanden waarin hij verkeert. Centraal hierin stond de ‘wedergeboorte’, de persoonlijke bekeringservaring waarbij men afstand nam van het vorige, zondige leven en het verlangen kreeg met hart en mond, woord en daad zich tot de navolging van Christus over te geven in een nauwgezette levenswandel naar bijbels model. De Tien Geboden functioneerden hierbij als richtsnoer. Het Piëtisme had dan ook niet alleen een bibliocratische, maar ook een wettische inslag. In negatieve zin betekende deze levenshouding vooral de onthouding van de zonde en van het zondige in de omringende wereld, zoals: vloeken, onkuisheid en overspel, drankzucht, dansen, kaarten, toneelspel, woeker, volksvermaak. In positieve zin bestond het piëtistische levenspatroon uit gebed, meditatie, lezen van de Bijbel en stichtelijke werken, een ascetische levenshouding, soberheid, strenge zondagsheiliging, regelmatige kerkgang, ook doordeweeks. In huiselijk verband ontstond speciale aandacht voor de gezinsgodsdienst, met bijbellezing, preekbespreking, catechese en psalmgezang.

Hoewel de eis van een persoonlijk beleefd geloof zorgde voor een nadruk op individualiteit, toonde juist het Piëtisme een sterke behoefte aan contact met gelijkgezinden en onderlinge opbouw en stichting. Zo kwamen de vrome kringen en huiselijke bijeenkomsten tot opbloei waaraan in Nederland de benaming ‘gezelschappen’ of ‘oefeningen’ werd gegeven. In deze samenkomsten ging het om gemeenschappelijke vormen van gebed, lectuur en bestudering van de Bijbel, catechismus, preken en tractaten, en om gesprek over elkaars bekering en geestelijke ervaringen. In het Piëtisme ontwikkelde zich ook een omvangrijke pastorale psychologie. De kleinen in het geloof werden opgebeurd, en via de minste genadekenmerken getroost en bemoedigd: het ging niet om de volmaaktheid, maar om waarheid en oprechtheid. Gevorderden werden aangespoord tot standvastigheid en zekerheid.

Opmerkelijk is de positieve aandacht voor Israël. In het Piëtisme dook steeds weer de stellige verwachting op van een toekomstige bekering van het joodse volk, die zou volgen op de ondergang van het Rooms-katholicisme en de Islam. Ook chiliastische denkbeelden kwamen voor.

In het hier geschetste beeld moet rekening worden gehouden met ontwikkelingen door de tijd heen en met individuele en geografische variaties. Samenvattend kan gesteld worden dat het Piëtisme een vroomheid ontwikkelde die van een zodanige betekenis was, dat het Protestantisme van de zeventiende en achttiende eeuw zonder het Piëtisme ondenkbaar en onkenbaar is.

De Nadere Reformatie

Binnen het gereformeerd Piëtisme in Nederland kan de Nadere Reformatie als een activistische beweging worden aangewezen. De personen die hiertoe worden gerekend, zijn op grond van diverse kenmerken te onderscheiden van ‘gewone’ piëtisten. Nadere reformatoren zijn ook piëtisten, maar zetten zich nadrukkelijker in voor de realisering van hun piëtistische idealen en profileerden zich bovendien nog extra op een aantal terreinen. Er is dus tussen het gereformeerd Piëtisme en de Nadere Reformatie een aanzienlijke overlap in hun overtuiging, maar de Nadere Reformatie ging duidelijk nog een stap verder. Volgens de huidige begripsbepaling is de Nadere Reformatie die beweging binnen de Nederlandse Gereformeerde Kerk in de zeventiende en achttiende eeuw, die in reactie op de verflauwing van of een gebrek aan levend geloof de persoonlijke geloofsbeleving en godsvrucht centraal stelde en van hieruit inhoudelijke en procedurele reformatieprogramma's opstelde, bij de bevoegde kerkelijke, politieke en maatschappelijke organen indiende en/of in aansluiting hierbij zelf een verdere hervorming van kerk, samenleving en staat in woord en daad nastreefde.

De term Nadere Reformatie is afgeleid van de terminologie die in de beweging zelf werd gebruikt. Zo spreekt Teellinck bij herhaling over ‘de naerder reformatie der dinghen, die onder ons ontstelt zijn’. De term ‘nadere’ of ‘vorder reformatie’ is verwant met het Engelse ‘further reformation’. Al deze termen hebben de betekenis van ‘voortgaande reformatie’. De Nadere Reformatie is te karakteriseren door een tiental kenmerken. Ze worden hier opgenoemd en toegelicht.

1. Vroomheidsbeweging

De Nadere Reformatie was een onderdeel van de piëtistische vroomheidsbeweging. Bekering en geloof waren de eerste zaken die zij aan de orde stelden. Ze deden een voortdurende oproep tot zelfonderzoek waarbij hun aandacht uitging naar de beleving van het werk van de Heilige Geest in het innerlijk van een mens. Er werd een scherp onderscheid gemaakt tussen een waar en een ingebeeld geloof. Dit leidde onder andere tot beschrijvingen van de bekeringsweg. Zowel de ‘separatie’ als de ‘beschrijving van de bekering’ kenden een pastorale achtergrond. Zij zagen een nauwe relatie tussen de innerlijke beleving van de bijbelse boodschap en een heilige levenswandel. Aan de vruchten wordt de boom immers gekend. Er zijn talloze nader-reformatorische voorschriften voor een geheiligd leven. Een belangrijke plaats was daarin weggelegd voor het horen en het lezen van de Schrift, de sacramenten, het gebed, de meditatie, de samenspraak, de catechese, het zingen, het vasten en de zondagsheiliging. Er was een toenemende concentratie op het Heilig Avondmaal. Hun heiligingsideaal reikte verder dan het persoonlijke leven. Ook de sociale kaders waarbinnen men leefde, dienden een zuivering te ondergaan.

2. Gereformeerde leer

De Nadere Reformatie was een voluit gereformeerde beweging, die confessioneel was bepaald door de drie formulieren van enigheid: de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels. Het is dan ook niet verrassend dat de hoogleraar Gisbertus Voetius (1589-1676) die een centrale figuur was binnen deze vroomheidsbeweging, tegelijkertijd bekend stond als ‘een kampioen van de gereformeerde leer’. In de zeventiende eeuw zijn de meeste nadere reformatoren te vinden in de gelederen van de voetianen. Ze hielden afstand tot het Coccejanisme en vooral tot het Cartesianisme. De nadrukkelijke dogmatische kleur neemt niet weg dat de Nadere Reformatie primair een vroomheidsbeweging was. Met de accentuering van de praktijk der godzaligheid, werd ook uitgesproken dat de gereformeerde leer op zichzelf niet zaligmakend was. Met hun kritische opstelling kwamen de nadere reformatoren er zelfs toe om aan ‘het leven’ een zekere meerwaarde toe te kennen boven ‘de leer’.

3. Kerkelijk reformatiestreven

De Nadere Reformatie was een kerkelijke beweging. De nagestreefde hervorming moest in de Gereformeerde Kerk beginnen en van daaruit via de maatschappelijke invloed van haar leden alle levensgebieden zuiveren overeenkomstig Gods Woord. De geschiedenis van de separatist Jean de Labadie (1610-1678) laat zien dat wie in zijn reformerende ijver en radicaliteit de Gereformeerde Kerk opgaf, niet langer als een medestander werd gezien, maar werd bestreden als een tegenstander. Het historische motief voor deze gedachte was de overtuiging dat de Heere deze Kerk in de worsteling met Spanje aan de Nederlanden had geschonken. De Nadere Reformatie zag voor de predikanten en andere ambtsdragers een sleutelrol bij de gewenste hervormingen. De belangrijkste middelen waren de prediking, de catechese en de bezoeken aan de gemeenteleden. Van ambtsdragers en gemeenteleden werd een onberispelijk en gelovig leven gevraagd. Met name rondom het Avondmaal functioneerde het facet van de praktijk der godzaligheid als een voorwaardelijke factor.

4. Relatie tot de Reformatie

De Nadere Reformatie sloot zich bij haar streven bewust nauw aan bij de gereformeerde Reformatie uit de zestiende eeuw, maar evenals vele gereformeerden zagen ze de Hervorming niet als een afgesloten hoofdstuk. De Nederlandse gereformeerden in de eerste helft van de zeventiende eeuw zagen de Reformatie als een proces dat tot in hun tijd doorging. Dat sloeg niet alleen op de gewenste groei van de bevoorrechte Gereformeerde Kerk waarvan nog slechts een minderheid volwaardig lid was. De Nadere Reformatie stelde daarboven de ‘uitwerking’ van de Reformatie onder de gereformeerden onder kritiek. Veel gereformeerden pasten de principes van de Hervorming niet totaal en radicaal op hun leven toe. Opmerkelijk is dat de nadere reformatoren niet alleen een waardering hadden voor de Reformatie, maar deze ook met een zekere relativering beschouwden. Op het gebied van de ethiek en met name inzake de vroomheid was naar hun inzicht nog een aanzienlijke aanvulling en doorwerking nodig. De Nadere Reformatie maakte hiervoor gebruik van voorreformatorische vroomheidstradities. De Imitatio Christi van Thomas a Kempis (ca. 1380-1471) stond bij hen hoog aangeschreven. Ontdaan van de typisch rooms-katholieke inhoud en verwoording integreerde ze allerlei motieven en methoden in haar eigen gereformeerde kader. Tot de gebruikte devotionele elementen behoorden onder andere de meditatie, de geestelijke alleen- en samenspraak en gebeden en verder bevindelijke motieven als de geestelijke verlatingen, de vier uitersten en ook allerlei ethische voorschriften.

5. Programmatische concretisering van het reformatiestreven

Inhoudelijk is er weinig onderscheid tussen het gereformeerd Piëtisme in Nederland en de Nadere Reformatie. Heel kenmerkend voor de laatstgenoemde beweging is dat de vroomheidsbevorderaars die hiertoe behoorden ertoe overgingen om zogenaamde reformatieprogramma's op te stellen. Hierin werd aangegeven op welke punten en op welke wijze de gewenste hervorming in kerk, politiek, maatschappij en gezin werkelijkheid moest worden. Deze samenhangende hervormingsvoorstellen dienden zij in bij de bevoegde kerkelijke en politieke organen, zoals kerkenraden, classes of synoden en allerlei burgerlijke overheidsorganen. Die voorstellen bevatten soms een breed uitgewerkt reformatieprogramma; in andere gevallen richtten ze zich op onderdelen hiervan. In deze activistische aanpak lag een onmiskenbaar verschil met ‘gewone piëtisten’ die zich beperkten tot de persoonlijke vroomheid en zich niet zo nadrukkelijk in het openbaar profileerden en de uiterste consequentie trokken van een streven naar zichtbare vroomheid. In de samenwerking bij het opstellen of het aansluiten bij de hervormingsvoorstellen wordt ook iets zichtbaar van het bewegingskarakter van de Nadere Reformatie. Dergelijke programma's droegen kenmerkende opschriften als ‘Middelen van nader reformatie der seden in dese gemeinte ontstelt’ of ‘De pointen van nodige reformatie’.

6. Reformatie der zeden

De Nadere Reformatie wist zich geroepen om niet alleen het persoonlijke leven maar ook alle verbanden van kerk, staat en maatschappij grondig en totaal te hervormen. Zij hadden daarbij ook het oog op hun medegereformeerden. Zij richtten zich intensief op de bestrijding van onkunde, misbruik van Gods naam, overdaad in maaltijden en kleding, opschik, dansen, kaarten, dobbelen, toneelspelen, dronkenschap, woeker, onkuisheid, overspel, ontheiliging van de dag des Heeren, verzuim van de middelen der zaligheid en alle bedenkelijke overblijfselen uit de rooms-katholieke tijd als vastenavond, kermis en heiligenfeesten. De Nadere Reformatie was niet louter negatief. De nadere refomatoren schreven bijvoorbeeld handleidingen voor diverse beroepen, waarin zij aangaven op welke wijze een boer, een zeeman, een visser, een handelaar, een soldaat of een schoolmeester het meest Gode aangenaam zoud zijn bij het uitoefenen van zijn beroep. Zij hadden ook bijzondere aandacht voor het gezinsleven, want zij zagen het gezin als een ‘kleine gemeente’. Voor deze gezinsgodsdienst gaven zij gedetailleerde voorschriften met daarin aandacht voor het lezen van de heilige Schrift, het gebed, het zingen van psalmen, de catechese en het vasten.

7. Kerkelijke tucht

Een van de kenmerken van de gereformeerde kerken is de uitoefening van de christelijke tucht om de heiligheid van de gemeente als lichaam van Christus te bewaken. Zoals te verwachten valt, waren de nadere reformatoren, meer dan de overige gereformeerde ambtsdragers, besliste voorstanders van een actieve uitoefening van de kerkelijke tucht. Bovendien waren ze niet geneigd om te tucht te versoepelen als het ging om een maatschappelijk of politiek hooggeplaatst persoon.

8. Theocratische houding

De theocratische houding van de Nadere Reformatie staat in relatie tot de hiervoor genoemde ‘Reformatie der zeden’. Deze houding blijkt vooral in haar verhouding tot de politieke overheden. Zo wees zij de overheid op haar plicht om de ware christelijke godsdienst te beschermen en om valse religies tegen te gaan. Haar klacht was dat de overheid oogluikend teveel tolereerde. De plakkaten waren vaak wel goed, maar men hield er niet de hand aan. De overheden werden door de Nadere Reformatie aangesproken op hun verantwoordelijkheid inzake de zending. Een gedeelte van de geweldige winsten die in de koloniën werden behaald, diende gebruikt te worden om bekwame zendingspredikanten op te leiden. Nadrukkelijk wezen ze ook de verregaande invloed van de overheid in kerkelijke zaken af. Zij waren zeer overtuigd van de eigen rechten van de kerk op haar eigen terrein. Zo verzetten ze zich tegen bemoeienis van overheden en particulieren met de benoeming van predikanten en tegen politieke vertegenwoordigers op kerkelijke vergaderingen. De Nadere Reformatie verzette zich ook nadrukkelijk en langdurig tegen de door overheden en particuliere personen gepleegde ontvreemding van de inkomsten uit de geestelijke goederen. Dergelijk verzet leidde meermalen tot scherpe reacties van de overheid. Zo werden de predikanten Johannes Teellinck (ca. 1623-1674) en Abraham van de Velde (1614-1677) in 1660 hierom door de Utrechtse magistraat uit de stad gezet.

9. Sabbatsvisie en -praktijk

De Nadere Reformatie oordeelde dat het vierde gebod over de heiliging van de sabbat van de schepping dateerde en volgens haar was het moreel van aard en daarom eeuwigdurend. Zij erkende ook dat dit gebod op gezag van Christus door Zijn discipelen werd verplaatst naar de eerste dag van de week. Bij voorkeur spraken zij over ‘sabbat’ omdat ze de term ‘zondag’ als heidens verwierpen. De nadere reformatoren propageerden verder allerlei geestelijke werkzaamheden op de sabbat. Zo hoorde men zich reeds op zaterdagavond met behulp van geestelijke meditaties voor te bereiden op de aanstaande rustdag. Op de zondag diende men niet alleen tweemaal naar de kerk te gaan, maar zich hierop ook steeds voor te bereiden en na afloop de preek te bespreken. De rest van de dag was gevuld met geestelijke overdenkingen of gesprekken. Deze dag was tevens geschikt voor het bezoeken of vertroosten van zieken en ellendigen. De nadere reformator Willem Teellinck (1579-1629) had de gewoonte om op zondag enige behoeftige gemeenteleden aan zijn tafel te nodigen. In de kring van de Nadere Reformatie duidde men de eerste dag van de week ook wel aan als de ‘marktdag van de ziel’. Zowel door dit soort typerende terminologie als door de strikte rust op de ‘dag des Heeren’ onderscheidde de Nadere Reformatie zich nadrukkelijk van doorsnee-gereformeerden. Dit onderscheid werd door de critici onder de tijdgenoten ook opgemerkt en in de discussie betrokken.

10. Puriteinse aard

In de zeventiende eeuw uitten tegenstanders van de Nadere Reformatie herhaaldelijk het verwijt dat zij allerlei zaken had ontleend aan het Engelse Puritanisme en gewoonlijk spraken de critici dan over ‘nieuwigheden’, die in strijd waren met de Nederlandse traditie. Afgezien van de vraag of er inhoudelijk steeds sprake was van nieuwe zaken, verdoezelde de Nadere Reformatie beslist niet dat er sprake was van ontlening aan en inspiratie door de puriteinse erfenis. Bij de reeds genoemde visie op de sabbat is de herkomst overduidelijk. Deze schatplichtigheid blijkt tevens uit de bestrijding van het toneel, uit de gezinsgodsdienst en uit de kritische houding tegenover formuliergebeden en liturgische formulieren. Verder was ook de preekmethode waarbij de toepassing met de geestelijke classificatie het hoofddeel vormde, van puriteinse herkomst. Hoewel allerlei elementen uit het Puritanisme werden overgenomen, was de Nadere Reformatie niet exclusief puriteins. Er was ook beïnvloeding vanuit de middeleeuwse devotie en het Franstalige Piëtisme. Over het algemeen werden ontleningen uit andere tradities op een zelfstandige wijze in de eigen situatie geïntegreerd.  

Besluit

Op enkele succesjes na heeft de Nadere Reformatie kerkelijk, noch maatschappelijk, noch politiek aansprekende resultaten kunnen behalen. Daarvoor waren de Nederlandse omstandigheden en verhoudingen te genuanceerd en stabiel. Deze stabiliteit was een voortvloeisel van de tweeslachtige status van de Nederlandse Gereformeerde Kerk: bevoorrecht en tevens geknecht. De magistraten ergerden zich aan de kritiek die, ook vanaf de kansel, op de levenswandel van de regenten werd geuit, en die soms in persoonlijke censuur werd uitgedrukt. Het door de Nadere Reformatie gestimuleerde verzet tegen allerlei overheidsbemoeienis in kerkelijke zaken werd als hinderlijk ervaren. Gevaarlijk achtte men in het algemeen de invloed van die calvinistische dominees op het gewone kerkvolk. Kortom: voor de regenten stond de nader-reformatorische optie op gespannen voet met het streven naar orde en rust in een samenleving met verschillende, deels tegenstrijdige religieus-culturele belangen.

Door dit alles was de politieke ruimte waarbinnen de Nadere Reformatie zich ontplooide beperkter dan zij in haar theocratisch ideaal misschien geloofde. Op een aantal plaatsen heeft de beweging in dezen gevoelige klappen opgelopen. De belangrijkste gevallen zijn de uitwijzing van de predikanten Johannes Teellinck en Abraham van de Velde in Utrecht in 1660, en in 1675 van Jacobus Koelman (1631-1695) in Sluis, die door de Staten-Generaal aan het lot van een predikend en schrijvend zwerverschap werd overgelaten. Waren de regenten dan nooit aanspreekbaar op de belijdenis die zij officieel wel onderschreven? Hun harten leken alleen geraakt te kunnen worden in tijden van oorlog en rampspoed, zoals in 1672, toen ons land radeloos, redeloos en reddeloos was. Maar als het erop aankwam, werd geen van de ingediende reformatieprogramma's uitgevoerd.

 

Literatuur

T. Brienen e.a., De Nadere Reformatie. Beschrijving van haar voornaamste vertegenwoordigers. 's-Gravenhage 1986.

T. Brienen e.a., De Nadere Reformatie en het gereformeerd Piëtisme. 's-Gravenhage 1989.

T. Brienen e.a., Theologische aspecten van de Nadere Reformatie. 's-Gravenhage 1993.

Figuren en thema's van de Nadere Reformatie. 3 dln.
Dl 1: Kampen, 1987. Dl 2: Kampen, 1990. Dl 3: Rotterdam, 1993.

C. Graafland, De invloed van de Moderne Devotie in de Nadere Reformatie, ± 1650 - ± 1750. In: De doorwerking van de Moderne Devotie: Windesheim 1387-1987, red.: P. Bange ... [et al.] (Hilversum 1988), p. 47-69, 302-303.

C. Graafland, W.J. op 't Hof en F.A. van Lieburg, Nadere Reformatie: opnieuw een poging tot begripsbepaling. In: Documentatieblad Nadere Reformatie, 19 (1995), p. 105-184.

L.F. Groenendijk, De Nadere Reformatie van het gezin. De visie van Petrus Wittewrongel op de christelijke huishouding. Dordrecht 1984.

W.J. op 't Hof, Eenen tweeden Thomas à Kempis (doch ghereformeerden). In: De doorwerking van de Moderne Devotie: Windesheim 1387-1987, red.: P. Bange ... [et al.] (Hilversum 1988), p. 151-165, 307-308.

W.J. op 't Hof, De invloed van het puritanisme in de Nederlanden. In: W. van 't Spijker e.a., Het puritanisme. Geschiedenis, theologie en invloed (Zoetermeer 2001), p. 273-339.

W.J. op 't Hof, Het gereformeerd Piëtisme. Houten, 2005.

F.A. van Lieburg, De Nadere Reformatie in Utrecht ten tijde van Voetius. Sporen in de gereformeerde kerkeraadsacta. Rotterdam 1989.

F.A. van Lieburg, Levens van vromen. Gereformeerd Piëtisme in de achttiende eeuw. Kampen 1991.

 
Printversie

Ontwerp en realisatie: Novatrix | Advies: Stichting Reformatica
© Stichting Studie der Nadere Reformatie